
Ik zit, gekleed in een blauwe stofjas, achter een ijzeren bureautje, omringd door stof en spinnenwebben. Het bureautje staat midden in een lege, slecht verlichte hangar, die vroeger een supermarkt moet geweest zijn, want het staat vol met lege, verroeste rekken. Een moeder komt binnen met haar verlegen zoontje, en vraagt me waar de Playmobil staat. Ik wandel met hen door de lege rekken naar een rek waar één oude, licht van kleur verschoten Playmobildoos staat: het Piratenschip! Moeder en zoon vertrekken met de doos, en plots ben ik elders.
Nu ben ik op een middelbare school, ik loop rond in een trainingsbroek en blijk assistent-turnleraar te zijn. Ik sta voor een soort rechtbank van de bestuurders van de school. Ik heb namelijk een looppiste laten aanleggen voor de goede spurters onder de leerlingen, op het dak van de school heb. Het heeft een elektrisch circuit waardoor ze schokken krijgen bij het vertrekken en telkens als ze te traag lopen. Het schoolbestuur heeft daar vragen bij, én over de kostprijs én over het feit dat niemand de piste ooit gebruikt. Ik moet me verdedigen, raak moeilijk uit mijn woorden, en plots ben ik elders.
Ik sta op de kade van een rommelig klein Egyptisch haventje. Een platte boot is net aangemeerd en een groep Engelse toeristen komt via de steiger op me af. Ik ben hun gids. Maar er is een zandstorm aan de gang, de hemel kleurt oranje en stormachtig, en we besluiten eerst iets te gaan drinken in een cafeetje dat uitgehouwen lijkt in de stadsmuren. Een oude Engelse vrouw met grijs haar komt tegenover me zitten, kijkt me in de ogen, en zegt: “ik had je direct herkend. You have his looks, his walks, his propensity to get into trouble. Jij bent duidelijk de zoon van Boris Johnsons vader, ik heb daar ooit nog iets mee gehad in mijn jeugd. Boris is je halfbroer.”
Ik word wakker.
(blijkbaar droom ik dus van Engelse woorden als propensity)