
Ik sta in een discotheek, op de dansvloer. Donker, spots, stroboscopisch effect, dreunende beat. Om me heen allemaal dansende mensen, mooie mensen, jonge mensen. Maar wie me kent, weet dat dat mijn omgeving niet is. Ik voel me ongemakkelijk, opgejaagd, niet op mijn plaats.
Ik sluit mijn ogen. Als ik ze opnieuw open, is alles veranderd.
Niet de omgeving, niet de lichten, niet de muziek. Maar wel de mensen. Waar er daarnet nog een mooie mix van mensen op de dansvloer staat, is iedereen nu veranderd in tientallen identieke versies van dezelfde figuur.
Ik word omringd door tientallen kleine volwassen mensen, zowat een meter hoog, die intens staan te dansen. Ze zijn allemaal hetzelfde gekleed, met zwarte broek en een zwart hemd, en daarop een fluo das, de ene fluo-geel, de andere fluo-rood. Ze hebben allemaal fluo strepen op hun gezicht, als in een oude indianenfilm, en die lichten op terwijl ze met korte heftige nijdige snokken staan te dansen. Allemaal hebben ze het grijnzende hoofd van Ben Weyts. Ik ben, kortom, omringd door tientallen fluoriscerende, nijdige Ben Weyts’en. Ik ben de enige niet-Ben Weyts.
Ik word bang. Dan word ik wakker.